Het uur van Frankenstein

Ik las Het uur van Frankenstein: nieuwe gruwelverhalen van meester vertellers. Deze verhalenbundel van uitgeverij Aeropagus bevat verhalen van Benjamin M. Schutz, Brian Aldiss, Charles de Lint, Chelsea Quinn Yarbro, David J. Schow, Esther M. Friesner, F. Paul Wilson, Garfield Reeves- Stevens, George Alec Effinger, Joyce Harrington, Karen Haber, Katherine Dunn, Kurt Vonnegut jr., Loren D. Estleman, Michael Bishop, Mike Resnick, Philip José Farmer, S. P. Somtow, Steve Rasnic Tem en Melanie Tem.

Het boek begint met een inleiding van Isaac Asimov, waarin vertelt wordt over de geschiedenis van de kunstmensen. Van de Golems uit de Joodse legenden tot de Tsjechische term “robot”, wat “slaaf” betekent. Ook wordt kort stilgestaan bij hoe Mary Shelley op het idee voor Frankenstein is gekomen.
Het boek eindigt met een korte filmografie van Leonard Wolf.
Het boek komt uit 1991, maar sommige verhalen zijn nu misschien wel actueler dan toen. Wat alle verhalen gemeen hebben, is dat niet het door Victor Frankenstein gecreëerde schepsel het monster is, maar Victor zelf en de mensen die het schepsel als een monster behandelen. Dit zet je ook aan het denken: hoe gaan wij om met mensen die afwijken van de norm?
In “Bijna-vlees” van Katherine Dunn heeft een vrouw drie mannelijke sekspoppen die ze steeds verder kan upgraden, totdat ze bijna menselijk zijn. Toevallig zag ik pas een aflevering van de documentaire “Robo Sapiens” op Canvas waarin Jelle Brandt Corstius ingaat op de vraag in hoeverre wij een relatie met een robot kunnen aangaan. De sekspoppen en robots die nu op de markt zijn, zijn zo levensecht dat het verhaal van Dunn binnenkort weleens werkelijkheid kan worden.
In “Het schepsel op de bank” van Michael Bishop wordt er stilgestaan bij de vraag Wat als het monster van Frankenstein naar de psycholoog gaat?
“Monsters van het middenveld” van Mike Resnick gaat over of iemand die in feite bestaat uit onderdelen van verschillende personen, wel mee mag doen aan een sportcompetitie. Dit gaat een stap verder dan onze huidige kijk op doping waarin sporters (verboden) middelen gebruiken om beter te presteren.
“Habeas Corpus” van Chelsea Quinn Yarbro gaat over het recht dat een verdachte van een misdrijf binnen een bepaalde termijn van zijn aanklacht in kennis moet worden gesteld, dat hij in levenden lijve aan een rechter moet worden voorgeleid en dat gevangenneming slechts mag volgen op gerechtelijk bevel.
“Kleine Frankie” van Joyce Harrington behandelt de ethische kwestie in hoeverre het is toegestaan om een perfect kind te maken. Mag je alle genetische foutjes eruit halen? Een heel actueel thema in een tijd waarin we sommige genetische afwijkingen vroegtijdig kunnen opsporen en soms zelfs kunnen behandelen. Een stap verder gaat het natuurlijk wanneer je gaat selecteren op eigenschappen als oogkleur en muzikaliteit.
“De staat tegen Adam Shelley” van Benjamin M. Schutz speculeert over de vraag Wat als het monster van Frankenstein als baby is geboren en in de maatschappij opgroeit? Wat moet de overheid met zo’n kind aan?
“Het laatste avondmaal en een oliebol toe” van George Alec Effinger gaat over de vraag wat er van je moet worden wanneer je geen sofi-nummer hebt (tegenwoordig BSN) en dus geen uitkering kunt krijgen en ook nergens aan het werk kunt gaan.
“Reünie voor de zonen van de angst” van David J. Schow is een vermakelijk verhaal waarin het monster van Frankenstein, graaf Dracula en een weerwolf een reünie houden.
Daarnaast is er nog een verhaal waarin het monster van Frankenstein een leven als filmster leidt (“Oscar-gekte” van Esther M. Friesner). Maar wat als de nabestaanden van al die onderdelen hun eigendom terugeisen en een schadevergoeding willen?

De auteurs zijn allemaal zeer creatief in hun benadering van dit klassieke verhaal van Mary Shelley. Sommigen leggen meer de nadruk op de psychische kant. Hoe is het om de enige van je soort te zijn? Wat doe je als je altijd een vrouw bent geweest, maar ineens wakker wordt in het lichaam van een man (“Dromen” van F. Paul Wilson)? Anderen leggen de nadruk meer bij het medische aspect. Hoe kun je met je hersenen je armen aansturen, als die armen oorspronkelijk aan een ander toebehoorden? En als je bestaat uit allemaal stukjes aan elkaar genaaide dode mensen, krijg je dan geen afstotingsverschijnselen?
De ene auteur beschrijft het verhaal vanuit het perspectief van de omstanders, of vanuit het oogpunt van de krankzinnige dokter (hoewel die niet altijd even krankzinnig is). De ander kiest voor het perspectief van het monster. Er zijn verhalen bij die zich in het (verre) verleden afspelen en verhalen die spelen in de (nabije?) toekomst. Er zit een soort toneelstuk bij (“Doorzettingsvermogen” van Kurt Vonnegut jr.) waarin de vraag wordt gesteld in hoeverre je door mag gaan met de behandeling van een patiënt. Een ander verhaal is in feite een lange brief en weer een ander verhaal bestaat uit een reeks krantenartikelen.
In elk verhaal herken je elementen van het origineel. In sommige wat meer, in andere wat minder. Hoewel dingen soms erg plastisch en beeldend worden beschreven, had ik nergens het idee dat ik een horror aan het lezen was. Eerder een psychologische thriller, die je ook heel erg aan het denken zet.
Een mooie toevoeging is dat elk verhaal wordt voorafgegaan door een zwart-wit tekening die past bij het verhaal.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *