Net als in 2023 was er ook in het najaar van 2024 een schrijfwedstrijd in de groep Maxi Mini Bieb Aurora. Dit keer was het de bedoeling om een verhaal te schrijven naar aanleiding van de woorden Dood, Oneindig, Wolkenkrabber. Deze woorden moesten ook in het verhaal voorkomen. Ik schreef een verhaal over iemand die wolkenkrabber van beroep is.
Alle ingezonden verhalen zijn gebundeld in een ebook. De opbrengst is voor Maxi Mini Bieb Aurora.
De wolkenkrabber
Toen aan het begin der tijden de eerste wolken verschenen, doemde hij op uit de oneindige leegte. Zijn taak was het kortwieken van de wolken. Vol jeugdig enthousiasme ging hij aan de slag. Met zijn sikkelvormige nagels krabde hij aan de witte bolletjes die in een ongeordende bende om hem heen dansten. De eveneens jonge wolken lieten zich de pedicure welgevallen en buitelden vrolijk over elkaar heen in een poging als eerste bij de Wolkenkrabber te zijn.
De Wolkenkrabber propte de pluisjes, die qua structuur en smaak erg leken op suikerspinnen, in het gapende gat dat zich midden in zijn pluchen lijf bevond. Hij had een oneindig verlangen om deze leegte binnen in hem te vullen. Onverzadigbaar bleef hij de wolken krabben en propte de zachte pluisjes in zijn opengespleten buik. Hoewel hij met elke maaltijd groter en groter werd, groeide de honger binnenin hem evenredig met hem mee. Om de honger te vergeten staarde hij met zijn knopen ogen naar de planeet ver beneden hem, waar een velociraptor en een protoceratops met elkaar in gevecht raakten.
De wolken, die ooit als jonge lammetjes dartel door het hemelgewelf dansten, waren door het geregelde krabben opgeroeid tot schapen die hadden geleerd voor het scheren op hun beurt te wachten. Terwijl de ene wolk genoot van een algehele peeling, kletsen de andere wolken als volleerde leden van een theekransje over nevelkinderen en broeikaswerelden.
De Wolkenkrabber keek neer op aarde, waar een bejaarde vrouw het wiel had uitgevonden. Hierboven hadden de wolken ontzag voor hem. Hij was degene die hen verloste van de ongebreidelde groei van hun lichamen en er zo voor zorgde dat ze zich, ondanks het ouder worden, toch als skippyballen konden blijven bewegen.
Op de knagende honger na was het leven goed voor de Wolkenkrabber. Al raakte hij na verloop van tijd wel uitgekauwd op steeds diezelfde kleffe smaak. Hij wilde variatie. Om de maaltijden aantrekkelijker te maken, krabde hij de wolken in allerlei vormen. Een kamillebloem, een sneeuwpop, een teddybeer. Zijn creaties werden steeds kunstiger, met als gevolg dat sommige wolken langer op hun beurt moesten wachten dan ze gewend waren. Door dit wachten kleurden deze wolken langzaam van sneeuwwit naar donkergrijs. Het deerde de Wolkenkrabber niet. Hij ging vrolijk door met boetseren, waarbij hij algauw leerde dat cumuluswolken hiervoor het meest geschikt waren. Hij besloot alleen nog dit type wolk te eten, want die kon je in zulke leuke vormpjes krabben. De flinterdunne stratuswolken liet hij aan zich voorbij zweven. Met die sliertige figuren wist hij geen raad. De stratuswolken waren wel meer geschikt om zijn nagels aan te vijlen, maar ach, zolang hij af en toe aan zo’n sliertje kriebelde, bleven zijn nagels vast wel in goede conditie.
De wolken waren minder blij met dit nieuwe beleid. De gesluierde stratuswolken, die al in geen tijden meer gekrabd waren, raakten met hun engelenhaar in elkaar verstrengeld en vormden zo een gigantisch web waar de cumuluswolken in bleven vastzitten. De wolken begonnen te klagen. De ene wolk werd gesommeerd opzij te rollen en de andere wolk kreeg het verwijt dat ze haar lenzen in moest doen. Ze botsten en buitelden over elkaar heen als een kudde walrussen op een steeds kleiner wordende ijsschots.
De Wolkenkrabber aanschouwde het vanaf zijn door wolken gemaakte troon. De donkergrijze wolken hadden langer op een krabbeurt moeten wachten en waren daardoor groter en sterker dan de witte wolken. Ze gebruikten die macht om voor te dringen bij de Wolkenkrabber. Hij krabde ze bij in een leuke vorm, zodat ze weer wit als sneeuw waren en door de andere wolken overschaduwd werden. In een eindeloze cyclus ging het door. De meest grijze imposante wolken kwamen bij de Wolkenkrabber, waarna deze hen met zijn nagels terugkrabbelde tot schattige watjes die met de tijd weer aangroeiden tot grijze reuzen.
Na verloop van tijd werd de Wolkenkrabber lui. Waarom zou hij nog moeite doen om ook de lastige plekjes op een wolk te krabben? Er was eten in overvloed. Die eeuwige honger was hij inmiddels wel gewend. Hij zou toch nooit verzadigd raken, dus waarom proberen? Hij krabde alleen nog de stukken waar hij liggend vanaf zijn troon bij kon. De wolken kwamen toch wel naar hem toe. Intussen genoot hij van het schouwspel op aarde, waar de mens bezig was torens te bouwen die ze naar hem vernoemden.
Het leven was goed.
***
Het leven was zeer goed. Ooit, toen hij nog jong was en de wolken nog klein genoeg om hem een prachtig uitzicht op aarde te geven. Toen hij met zijn slanke lijf nog soepel genoeg was om over de wolken te dansen. Waarom had hij zichzelf zo laten gaan? Moet je hem nu zien! Een vadsige godheid met een buik waar zoveel wolkenpluis in is gepropt dat het als vieze wratten door de poriën van zijn wollen huid naar buiten barst. Met zijn oud geworden ogen kijkt hij naar de wolken. Ze hebben allemaal een vieze grijze kleur. Hij kan niet zien waar de ene wolk ophoudt en de andere begint. Wel dat ze al in geen eeuwigheid gekrabd zijn. Als een stinkend gezwel hangt de wolkenmassa in een net van gescheurde sluiers.
De Wolkenkrabber heeft zijn taak verzaakt. Hij hijst zichzelf omhoog en bekijkt zijn roestige, botte nagels. Waarom heeft hij die vroeger niet wat beter verzorgd en wat vaker een stratuswolk gekrabd? Hij zucht, strompelt naar de dichtstbijzijnde wolk en begint te krabben. Al heel gauw raken zijn vervilte armen vermoeid. Hij mag nu niet opgeven. Hij moet goedmaken wat hij in zijn jeugd heeft verzaakt. Hij moet doorgaan. Zijn nagel aait over een stuk wolk, dat uitsteekt als een steenpuist. Werktuigelijk brengt hij het stukje wolkenpluis dat onder zijn nagelriemen is blijven plakken naar zijn uitgerafelde buik. Stug werkt hij door. Hij merkt amper op dat er tijdens het werken stukjes wolkenpluis uit zijn gescheurde oksel naar beneden dwarrelen. Opnieuw strekt hij zijn arm uit naar de wolken. Een harde stomp in zijn rug doet hem de diepte in tuimelen.
Het voelt alsof hij op de wolken drijft, maar dan anders. Hij opent zijn ogen. Een halfdoorzichtig, glibberig wezen houdt hem bij zijn middel omklemd. Om hen heen een haast oneindige watervlakte, met in de verte de toppen van door mensen gemaakte wolkenkrabbers. Met haar kokervormige tong likt het wezen aan zijn plastic ogen. Hij probeert zich los te rukken.
‘Alstublieft, ik moet terug naar boven!’ Zijn geborduurde mond kijkt smekend naar het slangachtige wezen, dat haar greep nog wat versterkt.
‘Dat kan niet,’ antwoordt het tientallen meters lange wezen nuchter.
‘Maar ik ben de Wolkenkrabber en ik …’
‘Ja, dat zal best, maar jullie wolkenkrabbers zijn allemaal hetzelfde. Eerst ga je vol enthousiasme aan de slag. Dan slaat de verveling toe en krijgen de wolken vormen die niet van deze wereld zijn. Vervolgens worden jullie zo lui dat je pluchen poot uitsteken al te veel moeite is. Als jullie dan eindelijk besluiten om je taak als Wolkenkrabber weer serieus te nemen, loopt het werk zover achter dat je het niet meer kunt bijkrabbelen.’
‘Het spijt me. Als u me naar boven helpt, dan beloof ik dat ik alle wolken zal terugkrabbelen tot witte wattenschijfjes.’
‘Te laat! Deze fout word je dood. Ik ben er klaar mee! Zie je al dat water om ons heen?’
Een oogwenk lang kijkt hij om zich heen. In dat ene moment ziet hij vooral een berg ronde plastic schijven in het binnenste van het wezen zweven.
‘Dat water is afkomstig van jouw wolken! Jij hebt de wolken niet op tijd gekrabd! Daardoor zijn jouw wolken op aarde gaan pissen. Veel van jouw wolken zijn incontinent geworden doordat jij ze niet meer krabde!’
‘Dan moet ik vlug terug naar boven, voordat de wolken ook nog beginnen te huilen.’ De wurggreep van het wezen voorkomt dat zijn pluchen lijf kan trillen van angst.
‘Onmogelijk. Jouw opvolger zit nu op jouw troon.’
‘Kunnen we niet samen de wolken krabben?’
‘Jij de wolken krabben? Je bent zo versleten dat alleen mijn lange lijf voorkomt dat je uit elkaar valt. Jij dient nergens meer voor.’ Ze spant haar greep nu zo strak aan dat zijn ogen van zijn geruite huid knappen. Met haar kokervormige tong zuigt ze de plastic knopen naar binnen, waar ze kletterend tegen de andere ogen belanden. ‘Zo,’ zegt ze met een zucht. ‘Narjara de Waterlikker zal dit beetje water wel weer opdweilen.’
Nieuwsgierig naar meer? Hier vind je nog meer verhalen om te lezen. Of kijk bij Publicaties voor een mooi boek of een verhalenbundel.
