10 verse nachtwakers

Voor de verhalenbundel Nachtwakers van Godijn Publishing schreef ik twee verhalen. Mijn verhaal Vigilie, waarbij ik me liet inspireren door Frankenstein, heeft uiteindelijk de bundel gehaald.
Het andere verhaal, getiteld 10 verse nachtwakers, is gebaseerd op een oud kinderliedje. Ik heb er zelfs een synoniemen- en een rijmwoordenboek bij gepakt om alle coupletten en regels precies even lang te krijgen. In deze blog lees je hier meer over.
Van 27 juli 2021 t/m 8 februari 2022 publiceerde ik om de week een paar coupletten van dit verhaal. Het hele verhaal is nu hieronder te lezen

TIEN VERSE NACHTWAKERS

Tien verse nachtwakers zaten op een rij.
Nummer één tot en met tien knikte heel blij.
Tien namen op het contract erbij,
nog kort en ze waren lastenvrij.

Ze mochten oppassen op een creatuur,
nog nooit zagen ze het hier in de natuur.
“Slechts één per dienst bij het creatuur.
De dienst duurt niet langer dan een uur.”

Tien verse nachtwakers zaten op een rij.
Tot zes keer sloeg de kerkklok aan de zuidzij.
Voor nummer één begon het karwei,
daarmee was hij echt ontzettend blij.

Zijn verbazing en schrik waren heel erg groot,
hij was van alles zelfs even uit het lood,
het dier zat in een kelder met schroot
en had geen water en ook geen brood.

Wat moest het wezen dan drinken en eten?
De nachtwaker kwam het al snel te weten.
Voordat hij zijn angst kon vergeten
had het dier hem opengereten.

Negen verse nachtwakers, daar op een rij.
Zeven keer sloeg de kerkklok aan de zuidzij.
Voor nummer twee begon het karwei,
daarmee was hij echt ontzettend blij.

Hun aloude poellierwinkel liep erg slecht;
werkelijk niemand kocht nog een wildgerecht.
Iedere maand was het een gevecht,
maar nu konden ze genieten, echt.

In de kelder zag hij een zeer grote kist.
Wat erin zat was voor hem een grote gis.
Het creatuur gebruikte een list
en het lichaam verdween in de kist.

Acht verse nachtwakers zaten op een rij.
Tot acht keer sloeg de kerkklok aan de zuidzij.
Voor nummer drie begon het karwei,
daarmee was hij echt ontzettend blij.

Het was een hele donkere winternacht,
zonder enig licht van maan of sterrenpracht.
De bewolking had geheel de macht.
De derde nachtwaker had een klacht.

Hij kon het creatuur niet goed aanschouwen
ook al had hij de deur opengehouden.
Hij schrok toen het dier naar hem klauwde
en zijn hoofd van zijn lijf af houwde.

Zeven verse nachtwakers, daar op een rij.
Negen keer sloeg de kerkklok aan de zuidzij.
Voor nummer vier begon het karwei,
daarmee was hij echt ontzettend blij.

Hij kon toegeven aan zijn nieuwsgierigheid.
Was het creatuur een jongen of een meid?
Had het last van luizen of schurftmijt?
Werd het wezen voldoende vermeid?
(vermeien betekent vermaken)

Wat hij daar zag beviel hem werkelijk niet,
hij was het die daarop een luide gil liet.
Met één grote beet werd het geschied,
zodat het leven de man verliet.

Zes verse nachtwakers zaten op een rij.
Tot tien keer sloeg de kerkklok aan de zuidzij.
Voor nummer vijf begon het karwei,
daarmee was hij echt ontzettend blij.

De bewolking was voor een deel verdwenen
en de maan was eindelijk weer verschenen.
Hij leek niet op een paar bospenen,
maar was zo rond als hagelstenen.

De nachtwaker kon niet lang blijven kijken.
Wat over een paar momenten zou blijken,
was dat hij in de kist zou prijken,
het creatuur ging zich verrijken.

Vijf verse nachtwakers zaten op een rij.
Tot elf keer sloeg de kerkklok aan de zuidzij.
Voor nummer zes begon het karwei,
daarmee was hij echt ontzettend blij.

Zijn ogen waren eerst het creatuur kwijt.
Voor de nachtwaker was dat een grote spijt.
Het creatuur klonk niet als een geit.
De man hoorde ook geen hondsdolheid.

Toen zijn ogen eindelijk waren gewend
zag de nachtwaker iets zo groot als een vent,
harig en aan het donker gewend,
de keel van de man werd zo omklemd.

Vier verse nachtwakers zaten op een rij.
Middernacht sloeg de kerkklok aan de zuidzij.
Voor nummer zeven kwam het karwei,
daarmee was hij echt ontzettend blij.

Hij was onderzoeker van vreemde wezens,
Hij had er al zeer veel over gelezen.
Nu had hij zichzelf zeer geprezen
zijn naam kon men straks gaan bloemlezen.

Het wezen had poten, een vacht en een snuit
en klauwen en scherpe tanden tot besluit.
Het dier had bovenop zijn hoofdhuid
twee oren van een soort buffelhuid.

De zevende nachtwaker vond dat erg raar.
Hij begon zijn dienst echter niet met gestaar.
Binnen een tel was het wezen daar.
Voor hij het wist was zijn leven klaar.

Drie verse nachtwakers zaten op een rij.
Slechts éénmaal sloeg de kerkklok aan de zuidzij.
Voor nummer acht begon het karwei,
daarmee was ze echt ontzettend blij.

Ze had ervaring met schapen en koeien,
zo’n dier, daar kon ze zich ook mee bemoeien.
Of het nou ging brullen of loeien,
ze zou het wel even gaan boeien.

Zachtjes en teder sprak ze het wezen toe,
zoals ze dat leerde van haar oude moe.
Het antwoordde met een harde “boe!”
Haar leventje kwam maar tot hier toe.

Twee verse nachtwakers zaten op een rij.
Tot twee keer sloeg de kerkklok aan de zuidzij.
Voor nummer negen kwam het karwei,
daarmee was hij echt ontzettend blij.

Hij vond het in de kelder wat vreemd ruiken,
was het creatuur iets aan het gebruiken?
Dat bloed, was dat van het misbruiken?
Moest hij nu voor zijn leven duiken?

Het antwoord bedacht hij helaas veel te laat,
al snel overkwam de nachtwaker het kwaad.
Het creatuur sloeg hard met zijn staart
en begon aan de zeer verse vraat.

Eén verse nachtwaker, de laatste op rij.
Tot drie keer sloeg de kerkklok aan de zuidzij.
Voor nummer tien begon het karwei,
daarmee was hij echt ontzettend blij.

Hij was zijn leven lang liever lui dan moe
normaal gesproken kwam het geld naar hem toe
Zijn vrouw gaf hem echter met de roe:
“zo komen we nooit uit de armoe.”

Het creatuur was duidelijk gevaarlijk.
Het maakte hem wel een beetje bezwaarlijk.
Het wezen gromde onbedaarlijk,
terwijl de nachtwaker stierf. Waarlijk!

***

Nul verse nachtwakers zaten op een rij.
Tot vier keer sloeg de kerkklok aan de zuidzij.
Voor de nachtwakers was het voorbij.
Voor het wezen begon het karwei.

Met zijn puntige tanden en wolfsklauwen
begon het wezen het vlees weg te stouwen.
Hij deed deze nacht niet aan kauwen,
dat was voor bij zijn kind en vrouwe.

Het was iedere maand opnieuw een gevecht
voor iets dat behoorde tot hun burgerrecht.
De jager had het immers gezegd:
“voor ieder dagelijks een gerecht.”

Maar de jager ging al het wild neerschieten,
van damherten tot dieren met voelsprieten.
Zij werden snel de zwarte pieten,
de jager leek zelfs te genieten.

Door de jager waren er geen dieren meer.
Even zat het gezin bij de pakken neer.
Ze dachten: mensenvlees, deze keer.
Dan hebben we iets te eten weer.

Nu hij klaar was met drinken en met eten,
werden de lichamen uiteen gereten.
Handzame brokken, moet je weten,
voor het creatuur was het zweten.

De verse nachtwakers lagen op een rij.
Tot vijf keer sloeg de kerkklok aan de zuidzij.
Hij was druk bezig met het karwei,
straks was zijn gezin weer hongervrij.

Hij moest nu daadwerkelijk tempo maken,
voordat de nacht hem in de steek zou laten.
Als hij in mensenvorm zou raken,
zou hij het werk hier moeten staken.

Nog vijf verse nachtwakers, daar op een rij.
Stilzwijgend ging de kerkklok aan de zuidzij.
Hij was druk bezig met het karwei.
Straks was zijn gezin weer hongervrij.

Het zware werk schoot inmiddels lekker op,
het creatuur wreef over zijn grote kop.
Bijna was hij weer klaar met de job.
Hij juichte. Het was helemaal top.

Nul verse nachtwakers lagen op een rij.
Zeven keer sloeg de kerkklok aan de zuidzij.
Hij was alweer klaar met het karwei.
Straks was zijn gezin weer hongervrij.

Hij voelde zijn lichaam weer transformeren,
net zoals bij al die andere keren.
Hij kon dit leven best begeren,
zo kon hij de honger afweren.

Tevreden en als gewone dorpeling
verliet hij de kelder toen de zon opging.
Hij voelde zich wel een zonderling
toen hij het angstige dorp doorging.

Zijn vrouw kwam naar hem met een droevig bericht;
de jager had hen van een diefstal beticht.
Hij zei het rechtstreeks in haar gezicht:
“je bent een valse dief, jij dom wicht!”

Met zijn drieën sloegen ze nu op de vlucht;
in dit dorp begon al snel het gerucht.
Erdoorheen ging een verlichtte zucht;
het gezin werd al heel lang geducht.

Tien gesneden nachtwakers waren nu weg.
Tot acht keer sloeg de kerkklok, wat ik je zeg.
Het was voor hen hele dikke pech,
maar teruggaan was zeker geen weg.

Langzaam en beetje bij beetje verstreken
de minuten, uren, dagen en weken.
Hun lege magen gingen steken,
wat was deze maand lang gebleken.

Tien gesneden nachtwakers waren nu weg.
Keer op keer sloeg de kerkklok, wat ik je zeg.
Het was voor hen hele dikke pech,
maar teruggaan was zeker geen weg.

Het wezen moest een nieuwe oproep maken,
waardoor ze opnieuw aan eten geraakten.
Voor iedereen, bakkers en schakers:
“Snel gezocht: tien verse nachtwakers.”

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

x Logo: Shield Security
This Site Is Protected By
Shield Security