Een klok in tijdnood

Ooit was Pendule een mens en in dienst van een tirannieke kasteelheer die het woord gastvrijheid verafschuwde. Een vloek veranderde de heer des huizes in een monster. Pendule werd een kruising tussen een Friese staartklok en een koekoeksklok, waarbij de koekoek was vervangen door zeven geitjes die één voor één door de kasteelheer werden vetgemest. De koekoek, die kort na de metamorfose in de windkast van Pendule vloog, was reeds lang geleden door de kasteelheer verslonden.
De heer des huizes, wiens uiterlijk nu overeenstemde met zijn verdorven karakter, dwaalde als een wild dier door de verlaten vertrekken van de in verval rakende burcht, altijd op zoek naar dierlijke of menselijke eiwitten om bij voorkeur zo vers mogelijk te verslinden.
Vanuit zijn positie tegenover het raam zag Pendule dat het water van de slotgracht gevuld raakte met de afgekloven resten van onfortuinlijke slachtoffers die zich te dicht bij het kasteel hadden gewaagd. De kans dat de kasteelheer in de omgeving nog iets eetbaars van zijn gading vond, werd steeds kleiner, terwijl de kasteelheer zelf alsmaar geïrriteerder werd. Nog nooit had Pendule hem zo kwaad en gefrustreerd gezien, zelfs niet in de tijd dat ze allebei nog menselijk waren en de kasteelheer zijn personeel vaker afblafte dan dat er bezoekers kwamen.
Pendule hoopte dat de kasteelheer het geduld kon opbrengen om de geitjes pas te verslinden wanneer ze moddervet waren. Hoe meer vlees er op de botten zat, hoe langer hij zich met de geitjes kon voeden en hoe groter de kans dat iemand het kasteel kwam bezoeken en wellicht de vloek kon verbreken. Als dat niet gebeurde voordat de kasteelheer verhongerde, zou Pendule voor altijd een klok moeten blijven.
Eén enkele bezoeker kon genoeg zijn om dat te voorkomen. Wanneer iemand het hart van de kasteelheer kon winnen, dan zouden de heer des huizes en Pendule allebei weer een mens worden.
De laatste keer dat ze bezoek kregen was enkele maanden geleden en had geleid tot de aanwezigheid van de zeven geitjes. Het was een geschenk uit de hemel geweest, want honger had de kasteelheer ertoe gedreven zijn tanden in het zachte hout van zijn vroegere dienaar te zetten. Pendule had zijn klepel van doodsangst sneller laten slingeren en sindsdien was hij van slag.
Het onverwachte bezoek was een alleraardigst herderinnetje geweest, die met haar kudde van zeven geitjes verdwaald was en een plek zocht om de nacht door te brengen. Even had Pendule gehoopt dat dit meisje wellicht de vloek zou verbreken, maar toen de kasteelheer begon te kwijlen en zich in Pendules windkast verstopte, wist Pendule dat dit ijdele hoop was. Zodra het herderinnetje in haar zoektocht naar iets eetbaars langs de klok liep, sprong de kasteelheer uit zijn schuilplaats tevoorschijn en scheurde haar levend aan stukken, waarna hij de hompen vlees met kleren en al naar binnen propte. Vroeger had hij al geen tafelmanieren, maar sinds hij in dit monster was veranderd, waren zijn eetgewoontes ronduit beestachtig.
Doordat het herderinnetje een grote voorraad vers vlees meebracht, kon de kasteelheer een luguber plan uitvoeren. In plaats van de zeven geitjes direct te verslinden, zoals hij anders zou hebben gedaan, sloot hij ze op in de windkast van Pendule om ze op die manier te kunnen vetmesten. Telkens wanneer Pendule het hele uur aangaf, werden één of meer geitjes door de kasteelheer gevoerd. Hoe meer uren, des te meer geitjes tegelijk te eten kregen.
In de tussentijd raakte de slotgracht verzadigd met andere slachtoffers en de eens zo drukke weg, die langs de voet van de heuvel voerde waarop het kasteel was gebouwd, werd steeds rustiger. De weinige mensen die zich er nog wel waagden, leken steeds meer haast te hebben.
Op een dag besloot de kasteelheer dat het eerste geitje vet genoeg was en hij trok het dier uit de windkast van Pendule en verslond hem ter plekke. Vanaf dat moment schoven alle geitjes een plekje op.

Het zevende geitje is nu als enige overgebleven. Het zal niet lang duren voordat het dier zo vet als een varken is en ook wordt verslonden. Als dat gebeurt, heeft de kasteelheer niets meer te eten en zal hij van honger omkomen, want tegenwoordig waagt niets en niemand zich nog in de buurt van het kasteel. Pendule, de man die zo trouw de tijd aangeeft, zal dan voor eeuwig een klok blijven.

Mocht je eens door een verlaten landschap lopen waar alle levende zielen zijn verdwenen, en je ziet op de top van een heuvel een vervallen kasteel staan, aarzel dan niet om dit kasteel te bezoeken. Pendule belooft dat je smake… eh… gastvrij wordt ontvangen.